De (virtuele) werkelijkheid van de Omgevingswet

Pieter van Teeffelen

De (virtuele) werkelijkheid van de Omgevingswet

In het juridisch woordenboek wordt ‘virtueel’ gedefinieerd als: ’voorwaardelijk, denkbeeldig, d.m.v. computers gecreëerd of op de computer of internet verschijnend’. Iets is virtueel als het niet écht bestaat, maar als het via software lijkt alsof het wél bestaat. Op de website van het Vlaamse Departement voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media vond ik een hele andere insteek: “Het adjectief ‘virtueel’ houdt een onafhankelijkheid van plaats en-of tijd in; men kan de eigenschappen van een zaak kennen zonder dat die fysiek aanwezig is”.

Eigenlijk zijn wij Nederlanders al best een tijdje goed in ‘virtueel’ weergeven. In het Panorama Mesdag in Den Haag kun je al vanaf 1880 ‘virtueel’ op het Seinpostduin staan. Binnen in een gebouw kun je uitkijken over het Scheveningse strand, de duinen en over de landweg naar Den Haag. De werkelijkheid is hier vooral (heel kunstig) fysiek virtueel nagebouwd.

Met de komst van filmtechnieken lukt het steeds beter om de  werkelijkheid na te bootsen. Zelf was ik erg onder de indruk van die film over een ruimtevaartuig dat ze lieten krimpen zodat het in een bloedvat van een mens kon worden geïnjecteerd. Het werd aangevallen door witte bloedlichaampjes, moest door de stroomversnellingen van het hart en kwam na een avontuurlijke reis, nog maar net op tijd via de traanbuis van het oog weer naar buiten. Deze virtuele werkelijkheid – de film uit 1966 heette ‘A fantastic voyage’– kende al veel details over de fysiek van een mens. Met de ontwikkeling van de computers ging het daarna snel: via flight-simulators zijn we nu aanbeland bij brillen die ons een fantastische reis door de werkelijkheid kunnen geven, in wonderlijk mooi 3D.

Joost Raessens* beschrijft deze ontwikkelingen. Hij constateert dat het niet langer het streven is  om de virtuele ruimte ‘realistisch’ maar om de reële ruimte ‘virtueel’ te maken. En dat is volgens mij precies de uitdaging van de Omgevingswet (en het verschil tussen de twee definities uit het begin van mijn verhaal); het zou niet zozeer moeten gaan om de kunst van het nabootsen, maar veel meer om de kunst van het. ‘leren kennen van de eigenschappen van een zaak’.

De Omgevingswet is begonnen met het ‘leren kennen’ van  de niet-ruimtelijke juridische aspecten van de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid waarover wij nadenken is er ook een van ruimte en locatie, van water en land, van wonen en werken, van transport en recreatie, van milieu en opwarming van de aarde. Een deel van die werkelijkheid hebben we al ‘virtueel’ gemaakt: we hebben een Basisregistratie voor Adressen en Gebouwen, de Basisregistratie voor de Grootschalige Topografie zit er aan te komen en de Basisregistratie voor de Ondergrond krijgt nu ook langzaam vorm. Een heel groot deel moet nog worden georganiseerd in dat ‘virtuele’ Omgevingswetsysteem en, let wel, dat in goede samenwerking tussen ministeries, provincies, waterschap en – last but not least –  alle 390 gemeenten.

De praktijk kun je niet op papier bedenken, daar is ze veel te ingewikkeld voor.  Laten we het hele proces van het maken van een omgevingsvisie in allerlei praktijksituaties uitproberen. Laten we op basis van die praktijkvoorbeelden  (proeftuinen in Omgevingswet-dialect)  uit de echte werkelijkheid een ‘virtuele’ werkelijkheid creëren zoals Mesdag dat al met zand en schelpen deed, een ‘werkelijkheid onafhankelijkheid van plaats en-of tijd’. En die toekomstige werkelijkheid is bereikbaar en inzichtelijk met een  ‘virtual reality bril’, voor overheden, maar ook voor burgers en bedrijven die dan ook nog zelf mee kunnen denken over de  inrichting van het panorama van hun eigen omgeving.


[*] Ik kreeg veel inspiratie uit het artikel van Joost Raessens, zie dspace.library.uu.nl/bitstream/1874/24880/5/c4.pdf

DEEL DIT BERICHT

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

negentien − dertien =