De satéprikker

Pieter van Teeffelen

Wanneer ik artikelen over de Omgevingswet lees, dan valt me vaak de neiging op om de (digitale) satéprikker te gebruiken als vanzelfsprekende, simpele koppeling van omgevingsgegevens met de kaart: ‘Steek een satéprikker op een willekeurige plek in de stapel kaarten, dan krijg je een verzameling van álle gegevens die je nodig hebt van die plek; de huizen, de wegen, de medische diensten, het milieu en ga zo maar door’.

Natuurlijk, kaarten zijn fantastische instrumenten waarmee je veel informatie geordend kunt aanbieden en met kaarten kan meer dan veel beleidsmakers en bestuurders nu denken. Maar toch heb ik wel moeite met de veronderstelling dat die ene satéprikker ons werkelijk álle gegevens kan geven die we nodig hebben voor de inrichting van onze omgeving.

Locatie

Een lantaarnpaal staat ergens. Die kunnen we technisch eenvoudig in kaart brengen. Geef die paal een stel coördinaten mee en de paal krijgt een vaste plek in een kaart. Een huis kunnen we ook als een punt in een kaart weergeven en in een grootschalige kaart kunnen we de contouren van het huis met lijnen weergeven, een stad idem dito. Kwestie van schaal en nauwkeurigheid, maar daar gaat het me nu niet om. Mijn punt is dat er ook  aspecten, dingen zijn die wel ruimte innemen maar die niet zomaar aan locatie te verbinden zijn en dus ook niet met die satéprikker te vinden zijn.

Relatieve locatie

Geluid, stof en bijvoorbeeld ook rook waaien met alle winden mee. Zelf woonde ik ‘onder de rook van’ het NAC-stadion en bij het ene avondje NAC kon ik het geluid van elke aanval volgen, een andere avond ging de wedstrijd volledig aan me voorbij. Jouw tandarts (en vervang tandarts naar gelieven door fysiotherapeut, psychiater of kapper) hoeft niet persé de dichtstbij gevestigde te zijn. Zo’n arts zit wel in je mond en boren is vervelend dus je houdt graag vast aan je vertrouwde tandarts die je als kind al had, of die aardige tandarts waar je toevallig eens was. Het bereik van een tandarts kun je dus niet zomaar op basis van afstand in kaart brengen. De clientèle van tandartsen kent in het algemeen een grillig en wisselend verspreidingsgebied en dat laatste geldt ook voor rook, stof en geluid. De satéprikker kun je wel gebruiken om de dichtstbij gelegen tandarts te vinden, maar grillige,  veranderlijke locatiekeuzes meet je er niet mee.

Relatieve waarheid

De satéprikker suggereert bovendien dat alle informatie die aan de prikker blijft hangen logisch ‘optelbaar’ is. Bijvoorbeeld: ik heb vier kaarten  (bevolkingsdichtheid, wegen, ziekenhuizen, grondprijzen) en ik kan de beste plek voor een nieuw ziekenhuis uitrekenen door ze te combineren en te kijken naar een bepaalde bevolkingsdichtheid, een maximale reistijd van 15 minuten en een gunstige grondprijs. Maar als er op 20 minuten reizen een goedkopere en nog beter bereikbare plek voor dat ziekenhuis zou zijn, zouden we die niet met onze satéprikker hebben ‘gevonden’. Wanneer is iets goed of fout, zwart of wit? Dit definitieprobleem is door Professor Burrough in het voorbeeld van de kalende man helder vertaald.

Ruimtelijke werkelijkheid

Als dé ruimtelijke waarheid al bestaat, is deze niet altijd eenvoudig in kaart te brengen. We kunnen niet om de aard van maatschappelijke informatie heen. Het ‘zwart-witdenken’ – toch al niet aan te raden in de werkelijkheid van alle dag – dient plaats te maken voor nuance, ook in de discussie over de koppeling van geografische ruimte aan juridische regels. De beroemde schrijver Elsschot zei ooit : “Tussen droom en werkelijkheid staan wetten en praktische bezwaren”. Hij dacht daarbij vast niet aan de uitwerking van de Omgevingswet, maar zijn uitspraak is er verrassend goed op van toepassing.

definitieprobleem

Noot 1: Op 16 juni gaan we op het DataLand-congres samen nadenken over de informatie die we als gemeenten nodig hebben voor de in- en uitvoering van de Omgevingswet. Ik nodig al mijn gemeentelijke collega’s uit mee te denken over hoe we de maatschappelijke werkelijkheid in kaart gaan brengen en kijk nu al uit naar alle mooie kaartbeelden.

Noot 2: In deze blog heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een artikel dat ik samen met Fred Toppen (toentertijd verbonden aan Werkgroep GIS van de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Universiteit Utrecht) voor het tijdschrift Geografie heb geschreven. Wijlen Peter Burrough was in die tijd hoogleraar GIS aan de faculteit).

DEEL DIT BERICHT

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

20 + een =